Kevin Brands

Hoi.
Soms schrijf ik dingen.
En soms post ik ze hier.
Als je ze gaat lezen: veel plezier.

Reageren mag: info@kevinbrands.nl
Recent Tweets @kevinbrands

Ze ziet dat één van de granieten bankjes op het plein nog vrij is. In een rustig tempo loopt ze ernaartoe. Terwijl zij zich al door de menigte van mensen wurmt, begin ik haar pas te volgen. Het lijkt er even op alsof ik haar kwijt ben. Maar als ook ik me tussen alle mensen doorgewerkt heb, heeft zij al een bankje bezet voor ons tweeën. Ze wenkt me en ik ga opgelucht naast haar zitten.


Uit haar tas komt een pakje sigaretten tevoorschijn. Marlboro Silvers. Die schijnen minder schadelijk te zijn, in de zin van: je gaat er nog steeds dood aan, maar dan net iets langzamer. “Wil je ook?” Dat moet ze wel vragen uit beleefdheid, want ze weet dat ik niet rook. Ik sla haar aanbod vriendelijk af. Zij laat er één tussen haar lippen hangen terwijl ze in haar tas zoekt naar een aansteker. Blijkbaar vindt ze er geen. Met een simpel handgebaar houdt ze een voorbijganger aan, die haar voorziet van een vuurtje. Een machtig gezicht om te zien hoe gemakkelijk ze de situatie naar haar hand kan zetten. Ik kijk nauwlettend toe hoe ze het voor elkaar krijgt en de eerste rook van haar sigaret uitblaast. Ze bedankt de onbekende man en draait zich terug naar mij.


Niara kent me al een tijdje, voor zover je iemand echt kunt leren kennen via het internet. Twee à drie keer per week sturen we elkaar een mail, een flinke mail van wel duizend woorden. Of meerdere kleine mailtjes, wat ik fijner vind. Hoopvol open ik mijn mailbox, telkens als er een nieuw mailtje in is verschenen. Geen van haar mailtjes blijven lang ongeopend. De rest kan dagen-, zo niet wekenlang ongeopend blijven, op de tweede pagina terecht komen, vervolgens op de derde om daarna in de vergetelheid te raken. Maar niet de hare.


Een tijdje. Dat is nu drie maanden. Drie maanden heeft het moeten duren voordat we elkaar in het echt zouden ontmoeten. Tijdens een date. Deze date. Date. Wat een lelijk woord. Maar ik ben blij dat ze het zo noemde. Want alles moet een naam hebben, een label. Ik wil graag zwart op wit hebben wat iets is, en wat iets vooral niet is. Denken dat iets is wat het niet is, dat is pijnlijk. En onnodig. Daarom label ik en wil ik gelabeld worden.

Niara staat voor mijn neus. Door het lengteverschil moet ik nogal naar beneden kijken. Mijn hand laat ik meteen zakken, en mijn blik gaat van dodelijk naar verontschuldigend. Er rolt een lieve maar ook zelfverzekere ‘Hey!’ van haar lippen. Ik betrap mezelf erop dat ik staar naar haar grote kijkers die niet veel bloot lijken te geven. Voor bekenden misschien, maar niet voor een vreemde zoals ik. Alsof ik uit een dagdroom moet ontwaken, zwaait ze even voor mijn gezicht en zegt nog een keer ‘Hey!’. We hebben contact. Even wil ik mijn hand uitsteken om me voor te stellen, maar haar rechterhand verdwijnt achterop mijn rug. Ze duwt zachtjes zodat ik me wat voorover moet buigen om op haar teken het drie zoenen ritueel uit te voeren. Uit mezelf doe ik zoiets nooit, bang dat ik iets doe wat niet gewenst is. Dus laat ik het initiatief altijd bij de ander liggen. Tuurlijk vind ik het niet erg dat ze dat doet, fijn juist. Haar lichaam duwt ze tegen het mijne, om mij tegemoet te komen in ons lengteverschil. Ik voel haar borsten enigszins platgedrukt worden. Om haar ook tegemoet te komen buig ik nog wat verder voorover. Ongemerkt adem ik in met mijn neus en ruik haar parfum. Ook een lichte aanwezigheid van sigarettenrook die me nu minder stoort dan normaal. Een rilling loopt van mijn arm, via mijn rug, naar mijn onderbuik. Mijn ogen hou ik iets langer dicht dan normaal. Haar lippen lijken vastgeplakt te zitten aan mijn wang. Grote, volle lippen. Dan doe ik mijn ogen toch maar open en zet mijn hoofd in beweging voor zoen twee en drie. Haar lippen lijken mijn wangen te doen tintelen. Ik vraag me af of ik een rood hoofd heb gekregen, maar de bonzende aderen bij mijn slapen geven me al antwoord.


“H-hoi”. Mijn stamelen doet meteen uit de doeken dat ik zenuwachtig ben. Ik zwijg en probeer mijn ademhaling weer normaal te krijgen. Adem diep en snel in, adem rustig weer uit. Zij lijkt het niet echt door te hebben en vraagt hoe het met me gaat. Kalm en zelfverzekerder dan zojuist zeg ik dat het goed gaat met mij, en vraag haar hetzelfde. Haar lichaam laat ze rusten op één been terwijl ze haar andere been op de bal van haar voet heen en weer beweegt. “Kan niet beter”, zegt ze. Ik vraag me af of ze doelt op deze avond, met mij. Verwachtingsvol en met een lach die niet gespeeld kan zijn, kijkt ze me even aan. Ik kijk terug. Wegkijken zou makkelijker zijn, maar ik doe het niet. Ik wil het niet.

We gaan elkaar ontmoeten op het Rembrandtplein in Amsterdam, Niara en ik. Ik ken haar alleen van een foto. Eén foto, waarop ze een grote bloem in haar haar draagt. Ik weet niet meer dan dat ze van Sri Lankese afkomst is, op foto de mooiste lippen ter wereld heeft maar ook de meest intense ogen waarin haar pupillen haast niet te onderscheiden zijn van haar iris.


Ik draai bijna verschrikt om als ik op mijn schouders word getikt. Vanavond is een erg spannende avond, mijn eerste afspraak met een vrouw sinds een hele lange vrouwloze tijd. Ooit, lang geleden, was ik nogal verliefd op een meisje. Misschien vond ze mij ook wel leuk, maar daar twijfel ik tot op de dag van vandaag aan. We raakten wel in contact met elkaar, spraken wat af. Eén van die ontmoetingen mondde uit in een zoen. Eén enkele zoen. Mijn eerste. Ik heb haar daarna nooit meer gezien of gesproken. Zeventien was ik toen pas. En dat voorval heeft me getekend tot de dag van vandaag. Mijn date (zoals zij het bestempelde in haar laatste email vanochtend) met Niara is een van de eerste stappen om over die bewuste avond heen te komen.


Degene die me aantikt blijkt een oude meneer te zijn die geld wil hebben voor onderdak. Met een simpel smoesje wimpel ik hem af en blijf ongeduldig rondkijken. De grijsaard blijft in de buurt, en ik vertrouw het niet helemaal. Telkens als ik ergens anders ga staan, doet hij dat ook, zo onopvallend mogelijk. Als ik alle straten nog een keer afspeur om te zien of ik Niara al kan ontwaren tussen de drommen mensen die de straten van Amsterdam vullen op wat blijkbaar een koopavond is, verlies ik de zwerver uit het oog. Weer word ik op mijn schouders getikt. Verschrikt maar tegelijkertijd boos wil ik me omdraaien om de schooier even lekker uit te kafferen. Met uitgestoken wijsvinger en een dodelijke blik op mijn gezicht draai ik me om.